In 1999 was Belgie een van de eerste landen in Europa dat een formeel samenwerkingsprotocol sloot tussen de overheid en de internetaanbieders om ongeoorloofde inhoud online te bestrijden. Binnen de bredere context van de de reorganisatie van de Belgische politiediensten. Op 1 januari 2001 werden de drie grote politiekorpsen samengevoegd in de Federale Politie in die periode kreeg het Centrale Gerechtelijk Meldpunt een bijzondere positie: het was ondergebracht bij de nationale computer crime unit van de Gerechtelijke Politie, net op het moment dat het korps zich voorbereide op de grote fusie van 2001.
Het protocol werd op 28 mei 1999 ondertekend door de Vice-Eerste Minister en Minister van Telecommunicatie, de Minister van Justitie en ISPA Belgium, de beroepsvereniging van de Belgische internetproviders. De ondertekening vond plaats tegen de achtergrond van een groeiende bezorgdheid over de verspreiding van illegale inhoud via het internet, in het bijzonder materiaal van kinderpornografische aard.
Een nieuw fenomeen vraagt om een nieuwe aanpak
Het internet bevond zich in 1999 nog in een relatief vroeg stadium van zijn massale verspreiding in Belgie. Het aantal huishoudens met een internetaansluiting groeide snel, maar de juridische en technische kaders voor het toezicht op online inhoud waren nog grotendeels onbestaand. De bestaande wetgeving, opgesteld in een era van fysieke publicaties en omroepuitzendingen, was moeilijk toepasbaar op een medium dat geen fysieke grenzen kende en waarbij inhoud in fracties van seconden wereldwijd verspreid kon worden.
De Gerechtelijke Politie erkende al vroeg dat de bestrijding van internetcriminaliteit een gespecialiseerde aanpak vereiste. De nationale computer crime unit, die was opgericht om computergerelateerde misdrijven te onderzoeken, werd de logische thuisbasis voor het nieuwe meldpunt. De unit beschikte over de technische expertise en de internationale contacten die nodig waren om meldingen over online inhoud op te volgen, ook wanneer de servers waarop die inhoud was geplaatst zich in het buitenland bevonden.
De werking in de praktijk
Het Centrale Gerechtelijk Meldpunt ontving meldingen van twee types bronnen: individuele internetgebruikers en Internet Service Providers. ISP's waren op basis van het protocol verplicht meldingen door te geven wanneer zij bij de uitvoering van hun taken ongeoorloofde inhoud op hun infrastructuur aantroffen. Burgers konden meldingen indienen via e-mail of via het meldformulier op de GPJ.be-website.
Na ontvangst van een melding volgde een gestandaardiseerde procedure. Een bevestiging van ontvangst werd verzonden aan de melder, voor zover die zijn contactgegevens had opgegeven. Het dossier werd vervolgens beoordeeld door de specialisten van de computer crime unit, die de aard van de gemelde inhoud vaststelden en de bevoegde onderzoeksdiensten inlichtten. In een later stadium ontving de melder een bericht over het gegeven gevolg aan zijn melding.
Een model dat navolging vond
Het Belgische model van een centraal meldpunt voor ongeoorloofde online inhoud was in 1999 een van de eerste in Europa. Andere landen volgden met vergelijkbare initiatieven, soms in nauwe samenwerking met de Belgische diensten. De opzet van een publiek-private samenwerking, waarbij de overheid en de internetsector gezamenlijk verantwoordelijkheid opnamen voor het tegengaan van illegale online inhoud, werd nadien als een referentiemodel beschouwd.
Met de fusie van de Gerechtelijke Politie in de Federale Politie op 1 januari 2001 werden ook de taken van het Centrale Gerechtelijk Meldpunt overgedragen aan de nieuwe organisatie. De strijd tegen onlinecriminaliteit is vandaag een kernonderdeel van de werking van de Federale Gerechtelijke Politie. Meer informatie over het vroegere Gerechtelijk Meldpunt vindt u op de bijhorende archiefpagina van deze website.